| |
De derde poolreis van Willem Barentsz in 1596, met de 29-jarige Jacob van Heemskerck als bevelhebber, is een ankerplaats in onze geschiedenis geworden. De overwintering op Nova Zembla in het Behouden Huys, met verschrikkelijke ontberingen, scheurbuik, strijd tegen ijsberen, een reis van 2000 mijl in een klein bootje naar het vasteland van Rusland en de tragische dood van Willem Barentsz zijn door de tijden heen talloze malen als blijk van Hollandse heroïek en ondernemingsgeest doorverteld en opgeschreven.
Maar na de blijdschap over de thuiskomst van de 12 overlevenden in Amsterdam in het najaar van 1597 krabden de bestuurders en kooplieden zich wel achter het hoofd bij voorstellen om weer een expeditie naar het hoge noorden uit te rusten om een doorgang naar het Verre Oosten te vinden. Dat Jacob Heemskerck en zijn mannen de eerste min of meer geslaagde overwintering op 76º NB gerealiseerd hadden en Spitsbergen ontdekt hadden, bracht natuurlijk geen brood op de plank.
Wat wel telde, nog meer dan de vele doden, was het verlies van het schip en zijn uitrusting. De bestuurders van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden stapten uit de race om de weg naar het verre oosten ‘om de noord’ te vinden. Maar in Nederland liep een man rond die er van overtuigd was dat het mogelijk was een noordpassage te vinden. Het was Petrus Plancius, de dominee en cartograaf. Hij ging er van uit dat de wateren rond de noordpool in de zomer ijsvrij waren. Er moest een vaarweg zijn recht over de noordpool. Als je er maar in slaagde de weg door het ijs naar het open water te vinden.
Plancius wist de Verenigde Oostindische Compagnie te overtuigen nog een poging te doen met de Engelse ontdekkingsreiziger Henry Hudson, die in zijn eigen land tijdelijk op een zijspoor was geraakt. In 1609, tien jaar na de rampzalige overwintering op Nova Zembla vertrok hij met het schip de Halve Maen. Ook hij kreeg de opdracht de doorgang in het oosten te zoeken. Maar door muiterij van de bemanning, bij wie de herinnering aan wat de mannen van Willem Barentsz was overkomen niet verdwenen was, veranderde hij eigenhandig zijn doel naar het westen om daar de doorgang te vinden. Hij ontdekte daarbij wel een rivier die naar hem vernoemd zou worden, maar meer leverde het ook niet op. Nog gaf Plancius het niet op. Twee jaar na de tocht van Hudson wist hij de Admiraliteit van Amsterdam en de landsregering zover te krijgen dat er toch weer een tocht naar het noorden werd ondernomen. Twee schepen de ‘Vos’ en de ‘Craen’, voeren in 1611 onder bevel van Jan Cornelisz May uit. Er was nog een May aan boord, een neef van de schipper, Jan Jacobsz geheten. Hij was onderstuurman. Hij zou de volgende en tevens laatste bladzijde in ons vaderlandse poolboek schrijven.
Schipper May kreeg de opdracht mee om oostelijk van Spitsbergen naar de tachtigste breedtegraad te zeilen en daar dan naar het noordoosten af te buigen. Petrus Plancius was bij zijn mening gebleven dat de zee in het hoge noorden ijsvrij was, als men maar ver genoeg van het land afbleef. De schepen vertrokken op 28 maart van de rede van Texel. May deed er alles aan om zijn opdracht te vervullen, maar wat hij ook probeerde, overal liep hij in het ijs vast. Hij kwam zelfs op de Canadese kust terecht, waar hij moest overwinteren. Pas op 3 oktober 1612 keerde hij in het vaderland terug.
Nog gaf Plancius de moed niet op. Weer wist hij de bestuurders nog één keer over te halen om een noordtocht uit te rusten. Deze keer was Jan Jacobsz May, de neef van Jan Cornelisz, de leider. De opdracht was dezelfde als die zijn oom kreeg. Het wordt eentonig maar ook Jan Jacobsz’ pogingen om een noordoost-route te vinden mislukten. Ondoordringbare ijsvelden blokkeerden telkens weer zijn weg naar het noorden. Meerdere malen kon hij nog maar net op tijd uit de wurgende greep van het zich sluitende ijs bevrijden. Hij kwam noordelijker dan al zijn voorgangers (83º NB), maar dat was toen nog geen punt van belang. De doorgang werd niet gevonden en daar ging het om. Net als zijn oom ging Jan Jacobsz in zijn zoektocht steeds verder naar het westen, naar de kust van Noord-Amerika.
Toch bleek deze laatste Nederlandse zoektocht naar een vaarweg naar de rijkdommen van het verre oosten een diepte-investering. Midden in die eindeloze woestenij van golven en ijs in de nevels van de Noordelijke IJszee stuitte Jan Jacob Mayen op een klein eiland. Dit eenzame en nietige stipje in de Noordelijke IJszee heeft de vorm van een lepeltje met op het schepgedeelte de meestal in wolken en mist gehulde, 2277 meter hoge Berenberg, de noordelijkste vulkaan ter wereld. Voor de schoonheid van deze tot in de hemel reikende witte reus had Jan Jacobsz May niet veel belangstelling, wel voor de vele walvissen die om het eiland zwommen. Aan het spek en de olie van deze dieren was in de 17de eeuw een grote behoefte. Dat maakte het eiland voor ons land zo belangrijk dat de oorspronkelijke naam van het eiland, door Jan Jacob naar een matroos genoemd, Meester Joris Eijlant, snel van de kaart geveegd werd. Tot op de dag van vandaag is het nu Noorse eiland naar zijn ontdekker genoemd, Jan Mayen Eiland
.
De Nederlandse pogingen om een vaarweg via het noorden te ontdekken waren in het ijs vastgelopen en werden gestaakt. Het werd tijd om geld te gaan verdienen. Het tijdperk voor massale walvisvangst was aangebroken. De voorlopers van Shell hoefden niet te boren, zelfs niet te zoeken. De eerste 50 jaar zwom de olie en het spek gewoon langs.
|
|